Extreem afvallen kan negatieve effecten hebben op de gezondheid en prestaties. Gezondheidseffecten kunnen zowel lichamelijk als mentaal zijn. Daarnaast kan in korte tijd veel afvallen maken dat je onvoldoende energie overhoudt om in de wedstrijd te stoppen.

Gevolgen van gewicht maken op de lichamelijke gezondheid

Onderzoek laat zien dat sporters die extreem afvallen veel lichamelijke klachten ervaren. Deze klachten lopen uiteen van duizeligheid, hoofdpijn, misselijkheid, tot bloedneuzen, een verhoogde hartslag, vermoeidheid, spierkrampen en koorts (4, 65). De meest van deze klachten zijn een direct gevolg van uitdroging, maar ook een tekort aan energie of aan bepaalde voedingsstoffen kan tot klachten leiden.

Uitdroging

Snel gewichtsverlies wordt meestal bereikt door uitdroging, bijvoorbeeld door beperken van de vochtinname, of door extra te zweten. Ook methoden die niet specifiek gericht zijn op uitdroging kunnen gepaard gaan met vochtverlies, zoals braken, lediging van darminhoud door een vezelarm dieet of laxeermiddelen, en depletie van spierglycogeen. Naarmate het vochtverlies groter wordt, nemen ook de gevaren toe (68). Door uitdroging daalt het bloedvolume en neemt de zweetproductie af waardoor de lichaamstemperatuur niet meer gereguleerd kan worden en de kerntemperatuur stijgt (73, 112). Dit kan leiden tot hitte kramp, hitte uitputting, of zelfs een hitte beroerte. Hierbij loopt de lichaamstemperatuur dusdanig op (>40 graden), dat er schade op kan treden aan weefsels en organen, waardoor het slachtoffer uiteindelijk kan komen te overlijden (68; 73).

Verstoring van de mineralen huishouding.

Verschillende afvalmethoden, waaronder het gebruik van een zout-arm dieet, maar ook braken en gebruik van laxeermiddelen kunnen verstoringen geven in de elektrolytenhuishouding (o.a. natrium, chloride, kalium en magnesium). Dit kan leiden tot een spierkrampen, spierzwakte, coördinatiestoornissen, neurologische problemen en levensbedreigende hartritmestoornissen (68). In het meest extreme geval kunnen uitdroging en elektrolytstoornissen zelfs leiden tot de dood. In 1997 zijn drie jonge Amerikaanse worstelaars aan de gevolgen van uitdroging overleden (10) en in 1996 is een Koreaanse judoka drie maanden voor de Olympische Spelen van Atlanta in de sauna overleden (46). Ook in andere vechtsporten zijn sterfgevallen bekend ten gevolge van extreem gewichtsverlies (43)

Hormonale factoren

In een aantal studies is gekeken naar de invloed van snel gewichtsverlies op de verschillende hormonen, zoals stresshormonen (cortisol), geslachtshormonen (o.a. oestrogeen en testosteron) en groeihormonen.

Cortisol

Cortisol komt vrij in reactie op stress en speelt een rol bij ziekte en bij het leveren van prestaties. Verhoogde cortisolspiegels komen voor bij virus infecties, en kunnen leiden tot een verminderde afweer en afbraak van spiereiwit (118). Een onderzoek laat zien dat judoka’s die moeten afvallen, de dag voor de wedstrijd verhoogde cortisolspiegels hebben. Bij judoka’s die veel moesten afvallen waren ook andere stressindicatoren verhoogd, terwijl dit bij judoka’s die weinig moesten afvallen niet werd gezien (118).  Ook in andere studies is een verhoging van de stresshormonen gevonden bij sporters die veel moesten afvallen (ACTH, cortisol, DHEA). 31

Geslachtshormonen

Een lage energie inname en intensieve training hebben invloed op de geslachtshormonen. Door langdurig energietekort kan de aanmaak van de vrouwelijke hormonen oestrogeen en progesteron in de eierstokken dalen. Dit kan leiden tot menstruatiestoornissen, uitstel van de puberteit, en een verminderde vruchtbaarheid (78). Ook via andere hormonen zoals Leptine (POP-UP WAT LEPTINE IS) kunnen de geslachtshormonen beïnvloed worden en kunnen menstruatiestoornissen optreden (68, ; Prouteau, Pelle, Collomp, Benhamou & Corteix, 2006).
Vrouwelijke judoka’s (58%) hebben dan ook veel vaker menstruatiestoornissen dan niet-sporters (7.1%) (95). De leeftijd waarop de menstruatie begint is niet hoger dan bij niet-sporters, mogelijk omdat judoka’s op deze leeftijd nog niet veel afvallen. Een onderzoek bij roeisters liet gedurende het wedstrijdseizoen een daling van de geslachtshormenen zien, en een verlenging van de menstruatiecyclus gezien. Dit normaliseerde buiten het wedstrijdseizoen om (78).

Bij mannelijke sporters kunnen een energiebeperking, intensieve training, en een laag lichaamsgewicht en vetpercentage leiden tot verlaging van de testosteronspiegels en andere geslachtshormonen (3168, 93, 61). Het is onduidelijke of gewicht maken invloed heeft op de vruchtbaarheid van mannelijke sporters.

Groeihormonen

Onderzoek bij turnsters laat zien dat intensieve training in combinatie met een lage energie-inname de groei kan remmen. Dit wordt in rustperioden en na het beëindigen van de sportcarrière weer ingehaald. Het is onduidelijk of deze inhaalslag volledig is. Bij worstelaars werd een verminderde gevoeligheid voor groeihormoon geconstateerd, maar er werd geen effect gezien op botgroei of ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken, en alle hormoonspiegels bleven binnen de normale range. (25, 93).

Botdichtheid

Omdat geslachtshormonen invloed hebben op de botdichtheid, kunnen lange periodes met een lage energie beschikbaarheid leiden tot een verhoogd risico op botbreuken, en osteoporose (81, 115). Bij judoka’s en andere vechtsporters worden geen veranderingen in de botdichtheid gezien, mogelijk omdat sporten met een verhoogde mechanische belasting een beschermende werking kunnen hebben tegen afname van de botdichtheid (68, ; 81115, 91, 93). Vechtsporters lijken zelfs een grotere botdichtheid te hebben dan hardlopers, waterpoloërs of niet-atleten (5,  Bozkurt, 2010).
Met spreekt van de term Female Athlete Triad bij een combinatie van eetstoornissen (lage energie beschikbaarheid), menstruatiestoornissen en osteoporose (112). Onderzoek onder judoka’s laat zowel menstruatiestoornissen als een lage energiebeschikbaarheid zien, maar er zijn geen studies gevonden die duiden op een verminderde botdichtheid (516).

Blessures

Er is weinig onderzoek gedaan naar de invloed van gewicht maken op blessures. Een onderzoek laat zien dat judoka’s die meer dan 5% van hun lichaamsgewicht afvallen een verhoogd risico lopen op een blessure (49), en ook een onderzoek bij worstelaars laat aanwijzingen zien dat extreem afvallen tot meer blessures kan leiden (3). Andere onderzoeken laten geen verband zien tussen afvallen nhet optreden van blessures (91).

Metabolisme

Gewichtsklassensporters merken in de praktijk vaak dat het gaandeweg steeds moeilijker wordt om af te vallen, en dat zij steeds extremere methoden moeten gebruiken om hun gewicht te halen. Het is niet duidelijk hoe dit komt, maar mogelijk spelen veranderingen in het basaal metabolisme [POP-UP basaalmetabolisme] een rol (112). Onderzoek laat zien dat regelmatige gewichtsschommelingen een negatief effect kunnen hebben op de stofwisseling (75, 106). Daarnaast treden er veranderingen op in hormonen waardoor de eetlust wordt gestimuleerd. Onderzoek onder gewichtsklassensporters laat wisselende resultaten zien. Worstelaars die af moesten vallen in aanloop naar wedstrijden hadden een 14% lagere stofwisseling dan worstelaars die niet af moesten vallen (106). Ook worstelaars die meer dan 3x per seizoen moesten afvallen hadden een iets lagere stofwisseling dan worstelaars die minder moesten afvallen (75) . Deze waarden normaliseerden na afloop van het seizoen. In andere studies (74, 99) werden geen verschillen gevonden. Door het verlaagde basaal metabolisme zou de energie-behoefte van gewichtsklassensporters mogelijk lager kunnen zijn dan in het algemeen wordt aangenomen (106).

Voeding

Gewichtsklassensporters lopen een verhoogd risico op een te lage inname van belangrijke voedingsstoffen (112, 40). Zij zitten continu in een strijd verwikkeld tussen het bereiken van het wedstrijdgewicht en het optimaliseren van de voedingsinname ten behoeve van de sportprestatie (88). Onvoldoende energie-inname (koolhydraten) en onvoldoende inname van ijzer, zink, vitamine A, vitamine E, vitamine B6 en B12 kunnen de weerstand verlagen en sportprestaties negatief beïnvloeden (48). Daarnaast leidt onvoldoende inname van glycogeen tot glycogeendepletie, vermoeidheid en een slecht herstel (23112). Ook werd in de loop van het seizoen een verlies aan spiermassa en andere belangrijke eiwitten gezien (52, 93). Ook de inname van vitaminen en mineralen ligt bij judoka’s gedurende het seizoen onder de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH) (15).

Immuunsysteem

Onvoldoende energie-inname en onvoldoende inname van ijzer, zink, vitamine A, vitamine E, vitamine B6 en B12 kunnen leiden tot een verminderde immuunfunctie en een verhoogd risico op ziekten en blessures (48). De kwetsbaarheid van judoka’s wordt verder verhoogd doordat de weerstand door langdurige intensieve training al verlaagd is (14). (83). Ook laat een aantal onderzoeken een toename aan bovenste luchtweginfecties door snel gewichtsverlies in aanloop naar een wedstrijd (100, 119).

Mentale gevolgen van extreem afvallen.

Sporters die in aanloop naar een wedstrijd veel afvallen ervaren vaker negatieve gevoelens zoals spanning, vermoeidheid, boosheid, verwarring en angst. Ook hun veerkracht is afgenomen. Dit is niet alleen vervelend voor de sporter, maar kan mogelijk ook leiden tot een afname van de prestaties (116). Afvallen lijkt bij vrouwen meer spanning te geven dan bij mannen. Ook hadden sporters vaker last van vermoeidheid, boosheid, angst en gevoelens van isolement naarmate zij vaker afvielen. Ook het korte-termijngeheugen lijkt af te nemen na snel gewichtsverlies (29).

Eetstoornissen

Verschillende onderzoeken laten zien dat sporters in gewichtsklassensporten meer eetproblemen ontwikkelen dan andere sporters (24, 27, 55, 109110, 112). Dit geldt zowel voor mannen als vrouwen (111117). Circa 30-35% van de vrouwelijke en 17-18% van de mannelijke gewichtsklassensporters voldoet aan de criteria voor eetstoornissen, tegenover circa 16-17% en 4-5% in andere sporten. Bij niet-sporters is dit percentage 10% respectievelijk 0,5% (94, 111). Eetproblemen komen vaker voor bij topsporters dan bij amateursporters (89). Waarschijnlijk ligt het percentage gewichtsklassensporters met een eetstoornis nog hoger, aangezien veel sporters de neiging hebben om eetproblemen en het gebruik van schadelijke afvalmethoden te verbergen (81112).
In gewichtsklassensporten komen vooral boulimia nervosa en eetstoornis-NAO (eetstoornis niet anderszins omschreven) voor (84, 95, 111). Ook kan langdurig en herhaaldelijk gewichtsverlies op lange termijn mogelijk leiden tot obesitas (6784, 95, 97). Ook preoccupatie met eten, controleverlies tijdens eten en eetbuien worden veel gezien (62107), en ook sporters die niet voldoen aan de criteria voor een eetstoornis, kunnen vaak ernstig verstoord eetgedrag vertonen (24, 79).

De invloed van gewicht maken op de sportprestaties.

Anaerobe prestaties

Veel gewichtsklasse sporten zijn hoog-intensieve intervalsporten. Zowel kracht, explosiviteit, als anearoob vermogen zijn prestatiebepalende factoren (31, 45). Omdat judoka’s tijdens toernooien vaak op een dag meerdere partijen moeten judoen, en gedurende de dag meerdere hoog-intensieve inspanningen moeten leveren, zijn ook het herstelvermogen en aerobe eigenschappen van belang (3145112).
Uit onderzoek blijkt extreem afvallen een afname van het anaerobe vermogen te geven (42, 44, 40). Dit wordt veroorzaakt door een afname van de buffercapaciteit, glycogeen depletie, uitdroging en elektrolytstoornissen (2644, 46, 101, 64).
Andere effecten die gezien worden zijn een verminderde armkracht (40), een verminderde knijpkracht (31). De prestatie bij sprongtesten en tijdens de eerste 5s van de 30s judo-specifieke test (64) nam niet af, wat suggereert dat snel gewichtsverlies geen effect heeft op explosieve kracht.In een onderzoek waar wel vier uur tijd was ingeruimd tussen het gewichtsverlies en verschillende anaerobe tests, werd geen afname van de anaerobe prestatie gezien (11). Dit zou kunnen betekenen dat dit effect niet optreedt als er voldoende tijd is om na de weging het verloren vocht en spierglycogeen aan te vullen. Echter, bij judoka’s die 6% van hun gewicht hadden verloren, was na 24 uur nog geen volledige rehydratie bereikt (42).

Aerobe prestaties

Ook de aerobe prestaties nemen af na snel gewichtsverlies. Deze afname wordt toegeschreven aan gevolgen van uitdroging, zoals een verminderd plasmavolume, een toegenomen hartslag, elektrolytstoornissen en een verstoorde thermoregulatie en glycogeen depletie (44, 46). In het algemeen wordt een vochtverlies van 2% van het lichaamsgewicht aangehouden als grens om nog normaal te kunnen presteren (28, 60, 73), al hebben andere studies aangetoond dat een geringere mate van vochtverlies mogelijk al een negatieve invloed heeft op de prestaties (112, 128) vonden na snel verlies van 5% van het lichaamsgewicht een significante daling van de VO2 piek en de ‘time to exhaustion’ bij een inspanningstest op de loopband. In het lichtgewicht roeien werd een afname van de prestatie op de roei-ergometer gemeten ondanks dat de roeiers twee uur de tijd hadden om vocht en koolhydraten aan te vullen. Deze prestatiedaling was sterker onder warme omstandigheden (102). Wanneer het vocht en koolhydraten optimaal werden aangevuld waren deze verschillen minimaal (103). Ook wanneer het gewicht meerdere dagen achter elkaar gehaald moest worden werd de prestatiedaling na de eerste dag niet meer gezien (103). Tijdens het herstel is inname van vocht belangrijker dan het aanvullen van koolhydraten (104).

Wedstrijdprestaties

In enkele studies is gekeken naar het effect van snel gewichtsverlies op de prestaties tijdens wedstrijden (4, 53, 130).
In een studie kwamen atleten, die tijdens een wedstrijd medailles wonnen, na de wedstrijd meer aan dan minder succesvolle atleten (4). Dit werd toegeschreven aan een groter gewichtsverlies voorafgaand aan de wedstrijd. Andere onderzoeken lieten geen relatie zien tussen de mate van gewichtsverlies en de geleverde prestatie (Barbas et al., 2011; 53, 130) vonden dat worstelaars die tijdens een kwalificatiewedstrijd succesvol waren, vaker een laag vetpercentage hadden (< 5%) dan minder succesvolle worstelaars.